Zonnebrandcrème: “Een veilige haven in de storm en in het oog ervan is het stil.”

by

Soms voel ik me als een pianist op een toetsenbord. De spatiebalk als ritmepedaal. Mijn ogen dicht. Alleen maar voelen wat ik voel en schrijven daarover. Woorden die uit mijn vingers vloeien. Dubbeltempo driftig en dan weer zorgvuldig strijkend, bij iedere letter deint mijn hoofd mee. Naar links, mijn schouders duwen mee.

Ik mis je
ik mis je
ik mis je.

Ik struinde straten af in een t-shirt in januari. Bh-loos maar mijn tepels niet pront naar voren, want koud was het niet. Tot de regen viel, een stortbui als bij heldere nachthemel. Het licht van de lantaarnpaal ontdeden de donkere druppels van hun mysterie. Mijn haren nat in mijn nek. Mijn t-shirt plakt en alles voelde ik. Elke druppel kwam terecht op mijn huid en mijn haren op elke vierkante millimeter absorbeerden het. Energie waar ik wat mee moest, waar ik wat van wilde leren. Alsof meer weten ook tot beter begrijpen zou leiden.

Misschien niet, maar het hield me op de been.
Het zorgde ervoor dat ik nieuwe manieren kreeg om na te denken. Nieuwe lenzen, nieuwe brilmonturen zelfs.

En nu sluit ik me af, verstompt de wereld mij. Wij allen in een glazen bol, alleen. Zonder glittersneeuw. Zonder boom van plastic. Wij, alleen wachtend tot we uitbreken. Wachten, wachten, wachten. Het ritme van mijn wachten verlamt me. Ik wil rennen. Voelen. Ik wil jouw vingers op mijn dij. Mijn armen in de lucht, mijn t-shirt dat plakt tegen mijn rug. Van het zweet, van jouw zweet. Van bier dat hoog boven mijn hoofd wordt getild naar een bestemming verderop. Waar mensen lachen en hangen en verder is er niets nodig.

Alles is goed en alles is genoeg hier op het kleed in het gras in het park op een zomerdag waarop alle wegwerpbarbecues uitverkocht zijn en ik de afdruk van de zon op mijn voeten zie staan als ik naar beneden kijk. Mijn voeten die de pedalen duwen van de fiets met het veel te hete zadel en mijn veel te korte broekje, onderweg naar jou. Naar een nacht vol onbestemdheid.

Laat me niet gaan
Laat me niet achter
Pak me op en schud me heen en weer
Want er zitten vreemden in mijn hoofd
En ik wil voelen, maar zo werkt voelen niet, daar beslis je niets aan.

Dus ik
wacht ik
wacht ik
wacht.

En ik word moe van het wachten maar ik blijf doorgaan met wachten tot ik een brandend vuurtje voel. Laat me fikken- smeulen net als de zonsondergang waar ik in mijn eentje naar kijk samen met de vreemdelingen in het zand die muziek door elkaar heen draaien en de stellen met hun camera’s. De zon draait door maar wij staan stil. Liggen stil in het warme zand want vooruit is zweten dus liggen we hier, en kijk ik naar hoe een druppel zweet zich een weg baant over jouw borstkas. Sleutelbeen, de plooi tussen je arm en je zij langs de borst die uit jouw topje steekt. Je draait je om, druppel op de handdoek.

“Kom je mee zwemmen?”

Voetstappen vlug voort over het zand, laagje water, laagjes water, stroming, onder. Onderdompelen. Onder me is het koud. Mijn handen maken cirkels net als de wieken aan de horizon die van wind energie maken.

Levensenergie van de wind door mijn haar bij jou achterop de fiets. De wind die jouw zonnebrandcrème mijn neus in waait en de zorgen weg en mijn armen om jouw middel zonder reden want het hoeft niet, maar het mag wel en ik wil het wel want jij voelt als thuis. Een veilige haven in de storm en in het oog ervan is het stil.

Hier is het stil
Naast je is er niets
Ben ik niets
Hoef ik niets of niemand te zijn.

 

No tags 0 Comments 0

No Comments Yet.

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *