Van ‘Misschien ziek’ tot ‘Opblaaszwembadje’, mijn (gebrek aan) een dating leven in vier aktes

by

Onderstaand is een collectie van kleine stukjes over liefde en daten te lezen. Ik schreef dit huilend in de trein, dronken in een bed dat niet meer als het mijne voelde, boos hardop dicterend op de fiets en sommige stukjes schreef ik gewoon op de bank met een glas wijn erbij (of ijsthee, want eigenlijk ben ik niet zo heel spannend). De ijsthee zat wel in een wijnglas want ik doe graag alsof ik spannend ben.

 We beginnen met de trein.

 

Misschien ziek

Ik zit in de trein. Een beetje misselijk, het plafond lijkt te draaien, de spotjes vormen lange slierten van licht. Aangeschoten. Misschien kun je dit wel dronken noemen. Het is een waas die prettig voelt, me naar beneden sleurt. Ik sluit mijn ogen in de hoop dat ik erin mag verdrinken.

Ik had haar achtergelaten op het station, bij de poortjes.
Voorheen liep ze altijd mee naar het perron. Nu had ze niet genoeg saldo. De man die omroept in de trein heeft een schelle stem. Den Haag Holland spoor. Vergeet niet je bagage. De mensen in mijn coupe zijn dronken en luidruchtig.

Misschien ben ik niet gemaakt voor daten. Misschien moet ik écht even alleen zijn of in een relatie zitten. Waarschijnlijk denk ik teveel na. Dat is altijd een juiste conclusie. Ik schommel heen en weer in de trein. Bijna op het station.

We namen afscheid. Toen ik haar knuffelde draaide ze demonstratief haar hoofd weg. Ze dacht dat ze misschien ziek aan het worden was.

 

Verdoemd

We lagen tegenover elkaar op mijn bed. Jij vertelde me dat het als een logeerpartijtje voelde en in mijn hoofd registreerde het dat dat niet echt de sfeer was waar ik voor ging. Ergens achter in mijn keel bleef de zin: “Misschien moeten we het dan minder als een logeerpartijtje laten voelen” hangen. Je ogen glanzen in het licht van mijn lamp, zwarte poelen die me naar binnen lokken. We lachen, rollen af en toe heel dicht tegen elkaar aan en telkens komen mijn lippen iets dichterbij de jouwe. Alsof ik moed aan het verzamelen ben door telkens kleine stukjes bed te veroveren, de afstand tussen jou en mij te verminderen.  Blijkbaar is mijn hoofd, onlosmakelijk verbonden met mijn mond en de stomme woorden die daar uitspuwen, tegen me, want net als het zover lijkt te zijn, begin ik te stamelen. Of je niet even moet gaan roken. Je hebt heel de avond nog niet gerookt toch? Wist je dat ik een balkon heb? Ja. Met bankjes. Ongelooflijk. Superleuk. Heeft mijn vader gemaakt. Uhuh. Ja. Nee, ik ga niet mee naar buiten denk ik. Nee. Ik blijf hier.

En weg ben je, en ik rol op mijn gezicht, recht erboven op en bons op mijn bed, zo met mijn voorhoofd tegen de deken. Ik ruik je vanille parfum op mijn kussen. Stom, stom, stom, echoot elke bons in mijn hoofd. Eeuwig verdoemd tot logeerpartijtjes.

 

Kutruitjesbroek

Jouw ruitjesbroek weeft nieuwe patronen in mijn hoofd. Ik wil niet naar je kijken maar ik doe het toch. Gestolen uren waarin ik stiekem je wimpers bewonder en de manier waarop je handen bewegen. Niet van mij. Niet voor mij. Die avond bleef je maar om mij heen dralen, je handen telkens kort op mijn arm, woorden die je mond verlieten en je negeerde bijna de andere mensen om ons heen. Al je vrienden gingen naar huis en jij was er nog. Niet van mij. Niet voor mij. Mijn telefoon lichtte hard op, een felle stroom tegen mijn wanden en het plafond. Het gesprek ontvouwde zich totdat jouw stem zijn weg naar mijn oor vond. Niet van mij? Niet voor mij? Nu kon ik je niet meer wegduwen. De deur kraakt open en ik stuif terug de bank op met mijn boek, mijn hart in mijn keel. Doe eens normaal, mens, vervloek ik mezelf. Niet van mij… niet voor mij. We lachen de hele avond op de bank, er vloeit wijn, daarna vies zoet bier en jouw hand heeft een plek op mijn been gevonden om af en toe overheen te aaien. Als de deur dichtvalt blijf ik duizelig achter. Ik hoor nooit meer iets van je en besluit dat ik een belabberd geheugen moet hebben. Je kijkt alleen naar haar, en het is heel fijn dat jij en ik weer meer bevriend zijn met elkaar. Ja, vind ik ook hoor. Hm hm. Dat wist ik toch. Niet van mij. Niet voor mij. Kutruitjesbroek.

 

Opblaaszwembadje

Als ik over zeven jaar niet één cel meer in mijn lijf heb die jij ooit hebt aangeraakt, ben ik een nieuw mens. Ik hoop dat ik niet meer wispelturig ben, ongeduldig, passief en actief tegelijk, heftig, druk, zoveel. Ik ben altijd zoveel. En hoe meer mensen me vertellen dat ik teveel ben, hoe meer ik eigenlijk minder wil zijn. Stil wil zijn. Niet wil opvallen. Tegelijkertijd wil ik de lichten voelen branden op mijn huid en in het middelpunt staan. Ik wil schreeuwen en iedereen vertellen dat dit nou eenmaal is wie ik ben én ja, ik vind het zelf ook doodvermoeiend. Misschien overdrijf ik. Waarschijnlijk wel. Ik ben een waterval in plaats van een overlopende emmer, ik ben een oceaan vol gedachten in plaats van het opblaaszwembadje in jouw hoofd. Als ik over zeven jaar niet één cel meer in mijn lijf heb die jij ooit hebt aangeraakt, ben ik dan nog mij?

 

 

 

No tags 4 Comments 1
4 Responses
  • Marleen
    August 9, 2020

    Wow, mooie verhaaltjes Leora
    Heel herkenbaar, zoals ik jou ken

  • Naduah
    August 18, 2020

    Heel mooi!

    • anna
      August 29, 2020

      this is so pretty, you’re a really good writer <3

  • Feyza
    August 27, 2020

    Prachtig geschreven!

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *