Validatieverslaafd: “Eigenlijk had ik ook al sinds mijn dertiende de droom om ‘Instagram-famous’ te worden”

by

Op mijn zestiende maakte ik een YouTube kanaal aan, omdat het me de perfecte plek leek om al mijn hobby’s te deponeren. Ik was nogal een beweeglijke zestienjarige, druk bezig met alle kringlopen leegkopen, drie boeken tegelijk lezen, een hoop lelijke schilderijen maken en schetsboeken vullen met melodramatische levensverhalen. En op YouTube konden al mijn identiteiten tegelijkertijd een plek vinden. Ideaal, leek mij.

Nu had ik eigenlijk ook al sinds mijn dertiende de droom om ‘Instagram-famous’ te worden. Wanneer ben je dan Instagram-famous, vraag je je nu misschien af? In mijn ogen was dat wanneer je foto op de explore page terechtkwam, waardoor je compleet viraal ging. Nadat ik een foto van een dennenboom had gespot op de explore page ging ik dus compleet los, met mijn iPod, op vakantie in Italië. Mijn neefjes, nichtjes, de slippers van mijn moeder, het ietwat triestige zwembad op de camping, alles moest eraan geloven en werd vakkundig vastgelegd voor op mijn Instagram. Het wilde niet zo lukken met het hele famous gedeelte en dus gaf ik dat maar op, waarna ik al mijn (3024!) foto’s verwijderde.

Drie jaar later was ik terug. Ik had mezelf heruitgevonden, zoals tieners dat zo goed kunnen. Je kunt het een identiteitscrisis noemen maar ik noemde het liever rebranding, een nieuw imago. Hoewel ik eerst dacht dat ik niet echt interessant genoeg was om elke minimale gebeurtenis die plaatsvond in mijn leven te broadcasten op het internet, waren er mensen die er graag naar keken. Het was een wonder. En editen, waarbij je al die filmpjes aan elkaar plakt, bleek ik ontzettend leuk te vinden. Ik kon uren achter elkaar prullen op mijn verschrikkelijk langzame Aldi-laptop. (Die Aldi-laptop sneuvelde overigens een paar jaar later omdat ik lijm het toetsenbord in liet lopen. Mijn ouders waren niet blij met me.)

Hoewel ik het zelf nog niet realiseerde, is dat ook wel waar mijn probleem zijn oorsprong vond. Telkens als ik verdrietig was, mezelf haatte, niet goed genoeg was, niet knap en leuk genoeg, en al die andere gezellige meningen die tieners hebben over zichzelf dan was daar het internet. Een regenboog met een goudpot aan het einde, vol mensen die je nog nooit had ontmoet, die in de comments dingen zeiden als “So gorg!!!” en “you are SO beautiful omg I love your hair”.  Ja, dacht ik dan bij mezelf. Eigenlijk heb ik ook best goed haar. Er was misschien van alles mis met me, maar ik maakte wél coole dingen op het internet. Dus was het oké. Ik klampte me vast aan deze hernieuwde identiteit alsof het een reddingsboei was in een oceaan vol woeste golven, veranderende lijven, hormonen, vriendschappen die spaak liepen. Ik begreep de helft van mijn vriendinnen niet en zij mij niet, ik was gefrustreerd omdat mijn kunstdocent me nooit hoger dan een 6,8 wilde geven en ik had geen flauw idee wie ik was, maar ik had in ieder geval een schare internetfans. Wat er ook zou gebeuren.

Totdat ik op een dag merkte dat ik verdrietig was wanneer mijn laatste post minder populair was dan die daarvoor. Ik bevond me ineens eindeloos scrollend langs perfect lachende gezichten en zongebruinde benen en ging steeds meer vreemde eisen stellen aan mezelf. Zo wilde ik elke week twee boeken lezen. En drie mooie foto’s van mijn lunch maken voordat ik hem at. (Waarom? Eet die verdomde avocado toast gewoon. We weten allemaal allang hoe een gepureerde avocado eruitziet.)

Maar oké, zelfs als ik niet echt een succesvol influencer was, nog steeds was ik creatief, maakte ik allerlei gave dingen. Het internet voelde als een plek waar ik alles kon proberen, niemand hield me tegen in al mijn wilde enthousiasme. Er waren geen regels, niemand die me vertelde dat ik iets verkeerd deed of anders zou moeten doen. Ik kon gewoon bestaan en maken tot ik erbij neerviel. Maar op het moment dat je zelfwaarde aan je online persona hangt, heb je toch wel een klein beetje een probleem. Want wat nou als ik een kritische bui had? Was ik dan als mens niets meer waard omdat mijn laatste video niet goed bekeken werd? Werd mijn werk pas goedgekeurd in mijn hoofd zodra andere mensen hun waardeoordeel geveld hadden? Zonder publiek, was ik dan nog waardevol als mens en als maker? Ik had met mijn schamele zestien jaar levenservaring geen antwoord op deze vragen en dat heb ik nog steeds niet.

Zou ik in een eeuw zonder wifi en eeuwige verbinding met de rest van de wereld ook zo bezig zijn met wat anderen van mijn prestaties vonden? Ja, vermoedelijk wel. Want het is niet alleen mijn populariteit online die ik gelijkstelde aan hoe ik me over mezelf en mijn werk voelde.

Op een bloedhete dag in 2019 stond ik in een donkere gang in een hoek van de kunstacademie te wachten tot mijn docenten terug zouden komen van hun overleg. Mijn shirt plakte aan mijn lijf en hoewel ik vastberaden was er me niet druk om te maken wenste ik nu toch met een hevige passie dat ik een topje aan had gedaan. Mijn haar hing golvend over mijn rug, was lang en zwaar, het leek aan mijn hoofd te trekken, mij mee naar onder te zeulen. Als een last die ik niet langer kon dragen. Dat was ook precies hoe mijn afstudeerproject vaak had gevoeld. Moeilijk, een uitdaging op iedere hoek, iets wat veel energie kost maar ook zoveel geeft.

Ik was trots op mezelf. Tenminste, dat probeerde ik mezelf wijs te maken terwijl ik last één (mijn te zware haar) op een rommelige staart bond en tegen de galerijmuur aan ging zitten. Straks zouden ze terugkomen, mijn scriptiebegeleider (die wist hoeveel van mijn tranen en persoonlijke crisissen dit project had gekost), de vrouw in het hippie gewaad die ik nog nooit eerder had gezien en de man met de strenge blik en zwarte coltrui. Hij leek een regelrechte karikatuur van alle verwachtingen die men heeft van kunstacademiedocenten, samengevoegd tot een ademend wezen dat afkeurend naar je werk keek en soms een mondhoek omhoogtrok in een poging tot een aanmoedigende glimlach, of iets dat daarvoor door moest gaan.

Zij zouden me vertellen hoe last twee (het afstudeerproject, dat ik nu een last noem, terwijl ik er ook veel plezier aan heb beleefd, maar dat even terzijde) afgerond zou worden. Mijn filmposter hing op de galerijwand schuin tegenover me en was gemaakt door een vriendin. Hij was mooi, de poster. Alles voelde erg officieel, zoals ik daar zat, een bezweet hoopje mens, starend naar de spotjes boven de poster. Het voelde officiëler dan toen ik twee weken later met mijn diploma op de foto ging, of toen ik mijn laatste spullen uit de marmeren gangen van de academie weghaalde, of toen ik in een extravagant pak grapjes maakte tijdens de première van de film. Ik haalde diep adem. Wat mijn docenten ook zouden zeggen, ik moest me aan dit gevoel vast blijven houden. Ik had iets bereikt. Ik was trots op mezelf voordat iemand anders dat was.

Drie uur later zat ik jankend in een kamertje met mijn scriptiebegeleider (alweer). Ze had aan me gezien dat ik niet blij was nadat ik mijn beoordeling kreeg, zei ze. Het voelde een beetje als een lomp understatement om dat te zeggen tegen iemand die zojuist je gehele voorraad aan kantoortissues had opgemaakt met haar gesnotter en haar complete waslijst aan (vermoedelijke) mentale problemen op tafel had gegooid. Het zat namelijk zo: ik had niet de beoordeling gekregen waar ik op hoopte. En oké, hoewel ik misschien vond dat ik een negen verdiende, waren mijn cijfers nog steeds prima. Maar ik was boos op mezelf. Want na de woorden van mijn docenten vond ik plots mijn werk ook minder goed. Ik was niet zo blij als drie minuten daarvoor en niet trots op mezelf.

En zo gaat het voort. Bijna iedere column die ik instuur vind ik eigenlijk een prematuur hersenspinsel opgevuld met een hoop woorden, totdat Sophie of Quirine tegen me zegt dat het mooi en poëtisch is of dat ze tijdens het lachen zich in hun wijn verslikten. Dan denk ik plots: het is ook een steengoed stuk. Waarom zag ik dat net nog niet? Elk schilderij wat ik maak wil ik stiekem het liefst meteen op Instagram zetten of er een foto van naar gemiddeld drie vrienden en mijn moeder sturen. Lekker kijken terwijl dm’s vol ‘wat mooi!’ en ‘je bent zo getalenteerd!’ binnenrollen.  Ik zal de eerste zijn die het toegeeft: ik ben validatieverslaafd.

Maar of je nu je zelfwaarde gelijkstelt aan je productiviteit (hoera, dankjewel kapitalisme), of aan je aantal volgers, laat mij je nu op het hart drukken dat het er niet toe doet. Dat je over je validatieverslaving heen kunt groeien, dat je eraan kunt werken. Dat je kunt leren om waarde te vinden in je mooie eigenschappen, in de liefde voor het leven, in plezier voor je werk, in dankbaarheid voor iedere dag. Dat je iedere dag het recht hebt om te bestaan. Iedere dag ben je waardevol, of je nu om vijf uur ’s morgens opstond en al drie wassen hebt gedraaid en twee facturen hebt verstuurd of om drie uur ’s middags je bed uitrolde en je nu half brak deze column leest op de bank. Overigens, met een beetje validatie zoeken is niks mis. Soms wil je ook gewoon weten waar je staat. Hoe anderen over je denken. Hoe de blik op jou en je werk is buiten jouw eigen hoofd. En dat mag.

Zolang je maar niet weer alle tissues van je scriptiebegeleider opmaakt. Stiekem die post verwijderd die jij heel gaaf vond maar die minder likes heeft. Of op tinder dates gaat puur zodat iemand anders je kan vertellen hoe interessant en leuk en knap je wel niet bent.

Als je dat nou lekker laat, dan mag het wel.

No tags 0 Comments 2

No Comments Yet.

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *