Hoe ik denk dat het gaat: “Het gesprek is pas klaar wanneer ik zeg dat het klaar is”

by

Ik loop in het donker op straat, voel me lichtelijk duizelig door de combinatie van alcohol, nicotine en het urenlang inademen van de zweetlucht van kronkelende mensen op de dansvloer. Het gevoel versterkt mijn frustratie over de avond, de leegheid die ik voel. Ik gooi mijn lege blik bier voor me op de stoep en stamp erop. Het geluid scheurt door de stilte van de nacht. Ik loop door, niet goed wetende waarheen. Het idee van naar huis gaan trekt me niet, ik moet iets doén. Ik steek nog een sigaret op en blaas de rook langzaam uit, zie het in de lucht kringelen tot het oplost in het niets. Aan het einde van de stoep doemt er een figuur op, die me tegemoet loopt. Om de vijf stappen wordt het figuur even opgelicht in het gele schijnsel van een lantaarnpaal, en ik zie dat het een jonge vrouw is. Ze loopt gehaast, wat in elkaar gedoken. Ze heeft haar jas om zich heen geslagen, haar blote benen daaronder glanzend en lang door de hakken die ze draagt. Die wil vast graag aandacht, als ze er zo uitziet. 

Ik weet niet of ze mij al gezien heeft, ze heeft haar blik strak vooruit gericht, lijkt alert. Wanneer ze bijna bij me in de buurt is pakt ze haar telefoon, en begint fervent te scrollen en te typen. Ergens maakt het me boos dat ze doet alsof ik er niet ben. Is het tegenwoordig niet meer beleefd om mensen gewoon te groeten op straat? Ik leun tegen een boom en ik wacht tot de vrouw bij me is. Nog steeds is ze druk bezig op haar telefoon, haar hele lichaamshouding is afwijzend. ‘Praat niet tegen me’, lijkt ze te zeggen. Het geeft me een bepaalde drang. Ik wil haar aandacht. Ik wil dat ze me ziet. “Zo, knappe dame. Fijne avond gehad?” De ogen van de vrouw schieten schichtig mijn kant op, en bijna onherkenbaar knikt ze snel. Ze lijkt niet verbaasd dat ik haar aanspreek. Ze loopt sneller door, wil van me wegkomen. Mooi niet. Ik zet mezelf af tegen de boom en ga naast haar lopen, net iets te dichtbij. De vrouw neemt een extra stap naar rechts. “Kun je niet praten?” Het duidelijke ongemak van de vrouw voedt me, geeft me een machtig oergevoel dat verslavend werkt. “Jawel”, mompelt de vrouw. 

“Wat is je naam, schoonheid?” Weer antwoord ze niet, en ik stel me voor hoe haar hartslag verhoogt, hoe haar gedachten door haar hoofd schieten. Zij kan niets doen, het gesprek is pas klaar wanneer ik zeg dat het klaar is. Ik zie dat ze op haar telefoon een naam intikt in haar contactenlijst en op het telefoontje drukt. Ze houdt hem tegen haar oor en wacht, tevergeefs. Verslagen haalt ze haar telefoon weer bij haar oor vandaan. “Waar moet je heen? Moet ik je brengen?”, vraag ik. “Zou je me asjeblieft met rust willen laten”, zegt de vrouw op een licht smekende toon. Zo dramatisch meteen, alsof ik haar met de dood bedreig. Weer voel ik de drang opkomen, de boosheid. Ik weet niet wat ik van haar wil. Toch besluit ik beleefd te blijven. Zo lang ik beleefd blijf, doe ik niets verkeerd. “Hoezo, ik ben toch gewoon aardig? Ik bied je toch gewoon een lift naar huis aan?” “Maar dat hoeft niet”, zegt de vrouw. “Ik loop liever gewoon alleen.” Ik doe alsof ik me gewonnen geef en gooi mijn armen in de lucht. “Oké, dan toch niet. Ik bood het alleen aan, hoor. Pas je wel op? Er lopen gevaarlijke mensen op straat om deze tijd.” Ik lach naar de vrouw, voel me goed over mijn waarschuwing. Dat zou ze zelf toch ook moeten begrijpen, dat het gevaarlijk is, zo in het donker die kleding over straat gaan. De vrouw antwoord niet meer en stapt stevig door. Ik laat haar gaan en vervolg mijn weg weer in tegenovergestelde richting. Het onvoldane gevoel van net is er nog steeds. Enkel en alleen omdat die vrouw zich te goed voelde om tegen me te praten, even gezellig te doen. Ik stamp mijn sigaret uit onder mijn voet.

Achter me loopt de vrouw steeds verder weg, vechtend tegen de tranen van teleurstelling en boosheid. Dat het wéér gebeurt, dat ze het aan zag komen en niets kon doen. Dat ze altijd beleefd moet zijn uit angst dat de man te opgefokt raakt. Dat ze nooit kan weten welke man enkel wil praten (maar waarom?) en welke man slechtere bedoelingen heeft. Dat mannen die angst belachelijk blijven maken, omdat zij niet weten hoe het voelt. Dat ze het liefst altijd een verhullende joggingbroek in haar tas zou willen hebben voor momenten als deze. Dat ze zich niet thuis voelt in een wereld die ook van haar zou moeten zijn, maar zich altijd als opgejaagd wild dicht langs de muren beweegt, overgeleverd aan hen. Zij die wel zonder zorgen over straat kunnen lopen. 

Maar dat weet ik natuurlijk allemaal niet. Ik ben haar allang weer vergeten. Ik steek een nieuwe sigaret op en loop verder. Ik heb nog steeds geen zin om naar huis te gaan.

No tags 0 Comments 0

No Comments Yet.

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *