Er is alleen nog een ‘toen’ en een huis bekleed in stilte van afwezigheid: “Ik slik wanneer ik me realiseer dat deze schildering geen recreatie is van de jaren zeventig”

by

De oude man op de bank tegenover me kijkt me vriendelijk, en misschien ietwat afwezig, aan. Ik kijk wat ongemakkelijk terug. Probeer beleefd te glimlachen. De stilte die in de woonkamer hangt duurt langer dan ik hem normaal bij anderen zou laten duren. Maar ik weet nooit goed wat ik tegen oude mensen moet zeggen. Kinderen ook niet, trouwens. Mijn zusje, net zo stijfjes en beleefd naast mij op de bank, zegt ook niets. Ik schrik op van de grote koekoeksklok die slaat, zoals alleen oude mensen die nog hebben. De man knippert niet. Misschien omdat hij een beetje doof is. Maar waarschijnlijk is hij gewoon aan het geluid gewend. Zijn ogen dwalen naar de muur achter mij. “Dat is Beppeke”, wijst hij. Mijn zusje en ik draaien ons om, naar het levensgrote schilderij dat boven de bank hangt. Op het schilderij zit een statige vrouw met kort bruin haar aan een grote vleugel. Een exacte kopie van de vleugel die rechts van ons in de woonkamer staat. Hij neemt de helft van de ruimte in. Zelfs het antieke lampje met franjes van kralen dat op de vleugel staat, en waar ik stiekem een beetje jaloers op ben, heeft zijn evenbeeld gevonden in de verf boven ons. Alleen de vrouw van het schilderij ontbreekt: de kruk bij de vleugel naast ons is leeg. 

Mijn moeder komt terug uit de keuken met een dienblad met vier stomende koppen thee, en een schaaltje met bonbons. Ze begint voluit te kletsen, zoals ze dat zo goed kan. Een sociaal talent dat mijn zusje en ik niet geërfd hebben. De man praat met haar mee, maar zijn ogen vinden steeds weer de onze. “Wat een knappe dochters heb je toch, hé”, herhaalt hij om de paar minuten. “Vooral zij”, wijst hij naar mijn zusje. “Ik weet dat, want ik heb een schildersoog. Kijk, dat heb ik ook gemaakt. Dat is Beppeke.” En hij wijst weer achter ons. “Nemen jullie nog een chocolaatje?”

Mijn moeder maakt het huis van deze oude man schoon. Een paar jaar geleden, toen al haar kinderen ineens een eigen leven hadden, besloot ze dat ze weer wilde gaan werken. En dus ging ze schoonmaken en had ze ineens een heleboel oude mensen in haar leven, en wij automatisch ook. Ze vertelde de oude mensen over ons, haar gezin, en wij kregen weer verhalen over hen te horen. Waaronder dus de oude man op de bank tegenover me. Zijn vrouw is afgelopen week overleden aan een hersenbloeding. Beppie. Beppeke. Hun zoon overleed jaren geleden al, op zijn twintigste, aan een motorongeluk. Dus is de oude man alleen over. “Ik had zo graag kleindochters gewild”, zei hij tegen mijn moeder. En dus gingen we op bezoek.

“Beppeke had een zwak beentje. Kon er niet goed op staan. Kwam door de kinderverlamming die ze kreeg toen ze elf was. Maar ze liep en fietste iedereen eruit, hoor!”. De man lacht, en dan wordt zijn weer blik serieus. “Ik heb altijd gezegd, Beppeke, dat been hoort bij jou. Ik heb dat altijd geaccepteerd. Zonder dat been, zou ze Beppeke niet zijn.” Het is weer even stil. “Ze was zo’n zachte, lieve vrouw.” Zijn blik is mijlen ver weg, en even lijkt hij vergeten dat we er zijn. Dan valt zijn ogen weer op ons, en zegt hij tegen mijn moeder. “Wat leuk dat je dochters op visite zijn, hé. Wat zijn ze knap, zeg.”

Even later loopt hij voor ons uit, de smalle, gladde zoldertrap op. De traplift laat hij voor wat het is. Voor iemand van 92 komt de man verrassend snel vooruit, hij hijst zich met beide armen op aan de leuningen. Wanneer het zolderlicht wordt aangeknipt, valt mijn mond open. Van de vloer tot het plafond, in ieder hoekje en op iedere muur, staan en hangen schilderijen. Dieren, portretten, klassieke schilderijen, landschappen en gebouwen, allemaal zo levensecht dat het foto’s hadden kunnen zijn. Boven de deuropening hangt een enorme kopie van De schepping van Adam, en als hij me had verteld dat het een origineel was, had ik het geloofd. Onder het zolderraam staat een bureau dat bezaaid is met glazen potten, kwasten en tubes olieverf, en een straal zonlicht doet het stof dat in de ruimte ronddwaalt oplichten. 

We lopen door de deuropening de volgende ruimte in. “Dit was Ronald’s plek. Hier zat hij altijd te knutselen, of aan de bar, met zijn vrienden.” Er staat inderdaad een grote bar aan de linkerkant van de ruimte. Erachter staat een platenspeler en een grote collectie platen, daarnaast een asbak met een uitgedrukte sigaret. Boven de bar is een grote tekst geschilderd, in dat typische hippie lettertype dat je nu ook vaak ziet als iets een jaren zeventig thema moet hebben. Ik slik wanneer ik me realiseer dat deze schildering geen recreatie is van de jaren zeventig, maar een origineel. En dat de platencollectie geen verzameling is van een nostalgische tiener, maar de collectie van een tiener in een tijd waarin platen de enige manier waren om muziek te draaien. Mijn blik valt weer op de uitgedrukte sigaret, en ik proef het stilstaan van de tijd op mijn tong. De oude man zucht. “Hij was ook zo’n creatieve jongen.”

Beneden bladeren we door een album met foto’s van alle schilderijen van de man. Schilderijen die nog op zolder hangen, maar ook veel exemplaren die al verkocht zijn. De man is duidelijk trots. “Misschien ga ik binnenkort weer schilderen. Misschien schilder ik jullie wel.” Mijn moeder glundert en zegt dat ze dat geweldig zou vinden. Ik vertel de man dat ik afgelopen zomer in Parijs was, in het Louvre. “Daar heb je zulke mooie schilderijen”, zeg ik luid, zodat de man me kan verstaan. De ogen van de man lichten op. “Ah, het Louvre. Dat had ik graag willen zien. Maar dat gaat nu niet meer, denk ik.” Even later: “Komen jullie nog eens op bezoek?”. 

We mogen allebei een schilderij uitkiezen, mijn zusje en ik. “Dan denken jullie nog eens terug aan die gekke, oude man”, glimlacht hij. Wanneer ik het schilderij dat ik gekozen heb thuis tegen de muur aanzet, moet ik opeens een beetje huilen. Om een oude man die ik amper ken, die zo verdwaald leek in dit leven dat hij al 92 jaar leeft. Die los lijkt te zweven door het nu, omdat er voor hem alleen nog een ‘toen’ is. Want daar is zijn Beppeke, waar hij nog zo smoorverliefd op is. Nu zijn er alleen nog verhalen, schilderijen, foto’s, een huis bekleed in de stilte van afwezigheid. En ik huil, omdat hij nooit meer het Louvre zal zien. 

No tags 0 Comments 0

No Comments Yet.

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *