Een ode aan mijn andere helft: “Jij de durfal en ik de dromer”

by

Bijzonder was je al toen je in de wieg lag en ik en mijn driejarige hoofd besloten dat ik je beste vriendin zou worden. Toen we onze kleine vingers in elkaar vlochten, verdwaald op campings in Frankrijk, onze eigen taal verzonnen en hutten bouwden, aardappels raapten van het land terwijl de laatste zonnestralen ons hoofd kusten en we ons verstopten voor de boeren in het hoge gras. Jij de durfal en ik de dromer. We kropen bij elkaar in bed en ik fluisterde een eng verhaal, ging net zo ver door tot ik zelf ook niet meer durfde te gaan slapen. Misschien heb ik je hand losgelaten, maar jou heb ik nog altijd graag om me heen. Hangend op mijn bank, sigaretten rokend op het balkon. Morrig aan de ontbijttafel. De énige persoon die ooit het koffiezetapparaat benut in mijn keuken. Als ik je afzet bij de bushalte denk ik aan vroeger. Hoe boos ik soms was dat je me overal volgde. En dan weet ik dat ik nu me soms afvraag waar je bent, als je weer teruggaat naar jouw huis.

Mijn zusje is niet goed in afspraken maken. Ze stuurt me regelmatig dat ze wil bellen, waarna we beiden dit geheel vergeten en elkaar een week niet spreken, om vervolgens opnieuw te communiceren middels lelijke selfies op WhatsApp. Misschien zou het dus ook eerlijker zijn om te zeggen dat we beiden niet goed zijn in afspraken maken, met elkaar dan. Het is bijzonder, om met elkaar op te groeien, bijna aan elkaar vast te zitten, en dan ineens niet meer in hetzelfde huis te wonen.

Op mijn negentiende verruilde ik de uitgestrekte weilanden en straten vol rijtjeshuizen voor glanzende wolkenkrabbers en de chaos van de stad. Ik was bang, zoals ik dat altijd ben. Vooral dat ik er plots achter zou komen dat ik totaal niet voor mezelf kan zorgen. Als een soort enthousiaste student die een kat adopteert en dan inziet dat het best veel moeite kost, een kat onderhouden. Maar dan ik, die mezelf moet onderhouden. Mijn dagen plakten aan elkaar, studeren, stofzuigen, ruziemaken met mijn huisgenoot, mijn sleutels kwijtraken, vage recepten proberen, studeren, ’s nachts door de stad fietsen na een feestje, de was doen, met mijn strijkijzer een gat branden in mijn dekbed. Maar hetgeen wat me het meest opviel was hoe erg ik haar miste. En eerst viel het me niet eens op wát ik precies miste. Er was gewoon iets anders. Maar elke keer als ik thuiskwam was alles daar een constante. Mijn ouders op de bank, de hond die aan mijn benen snuffelt in de gang, Julia in haar kamer, haar mobieltje een kleine baken van licht in de duisternis. Dat bracht rust, want waar je ook gaat: thuis is altijd thuis. Alles blijft hetzelfde, totdat het dat niet doet. Want het lieve meisje met de helblauwe ogen was ineens een vrouw en ging ook studeren. Shit.

Soms hoor ik moeders over hun dochters praten en dat doet me dan denken aan hoe ik me voel over Julia. Iemand kan voelen als je beste vriendin maar is toch ook altijd een beetje iets wat je wilt beschermen, in een doosje wil doen, zodat niemand haar zeer kan doen. En dat doosje moet dan in een vitrinekast zodat wel iedereen kan zien hoe trots je op haar bent. De vitrinekast is deze column en het doosje was het studentenhuis met de plakkerige vloeren in Tilburg. Niet echt een goed, beschermend doosje, eerder gewoon de wijde wereld, waar ze nu moeilijke psychologie zou studeren, bier zou drinken en met haar huisgenoten drankspelletjes ging doen in de keuken vol leuzen op de muren. Plots woonden we allebei niet meer thuis, kreeg thuis een nieuwe betekenis, iets wat verwisselbaar en beweeglijk is.

November 2020, middernacht, we liggen in haar bed, bij onze ouders thuis. We praten over seks en dates, haar nieuwe vriendje, en giebelen zacht. Waarom we besloten dit gesprek te voeren binnen de muren van ons ouderlijk huis is mij een raadsel, maar het is moeilijk om niet constant in de lach te schieten. Alsof we iets doen wat niet mag, fluisterend onder de dekens, geheimen en dramatische escapades tussen ons. Kunnen ze ons horen, denk je? Ze denkt van niet. Ik hoop van niet. We vergeten op een gegeven moment te praten en vallen dan vanzelf in slaap, en ik voel me op weinig plekken zo veilig als bij haar.

Ik leer steeds meer over wat ‘thuis’ betekent. We hebben geen afspraken nodig, wij. We weten dat we er zijn en dat is genoeg. De brieven die ik je schrijf zijn genoeg, de lepel die je me gaf met kerst en ik prompt bestempelde als het slechtste cadeau ooit terwijl ik hem constant gebruik, is genoeg, en mijn hoofd op jouw schouder, is genoeg. Elke lach die ik je zie lachen en elk moment dat je lijkt te stralen warmt me compleet op vanbinnen. Je hebt zoveel bereikt, zo hard gevochten tegen de duisternis in je hoofd om te komen waar je bent. En ik ben trots, zo trots dat het bijna pijn doet. Ik heb geen doosjes meer nodig om je in te stoppen. Jij had nooit een doosje nodig.

Onze ouders moesten misschien hard lachen toen ik als driejarige aankondigde dat je mijn allerbeste vriendin ging worden, een kale baby in een wiegje. Maar ik wist dat al. En jij ook, je kleine handje stevig om mijn vingers geklemd.

Jij wist het ook.

No tags 0 Comments 0

No Comments Yet.

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *