Een jaar thuis: “Stilte doet alleen pijn wanneer het ons herinnert aan de afwezigheid van iets”

by

Hoe het met me gaat, vraag je me? Goed, hoor. Ik sta op, laat Louis uit, kom thuis en zet mijn laptop op de keukentafel. Muis ernaast, uit elkaar vallende paperbackeditie van Anna Karenina onder mijn laptop gepropt, in een poging tot het creëren van een ergonomisch verantwoorde werkplek. Ik typ en typ en typ en heb altijd het gevoel dat ik meer zou kunnen doen maar heb de motivatie niet om het ook echt te doen. Wanneer ik afsluit moet ik koken, eten, afwassen, douchen, Louis uitlaten. Ik lig lusteloos op de bank tot ik naar bed mag. De volgende dag. Opnieuw. En opnieuw. En opnieuw.

Ik houd me voor dat ik dit fijn vind – dat ik niets mis. Wie verkiest drie uur treinreizen per dag nu boven dit? Wie verkiest de hele dag op een grijs kantoor met plavuizen zitten? Smerige automaatkoffie drinken en praten met collega’s waar je eigenlijk geen zin in hebt? Nee hoor, ik zit hier goed. Ik fluister het steeds opnieuw, als een genezende spreuk: Het is goed, ik ben oké, ik kan dit, dit wil ik.”

Ik verf mijn muren oranje in de hoop dat het me tijdelijk het gevoel geeft dat ik ergens anders ben.

De dagen glippen als water door mijn vingers, een eindeloze stroom van voorbij tikkende minuten, in het moment zelf tergend langzaam, tot er ineens weer een week voorbij is. De dreigende eenzaamheid komt iedere dag dichterbij, als een monster achter mijn rug dat langzaam naar me toe sluipt, geluidloos maar toch voelbaar, en iedere keer als ik me omdraai is hij weg, hoe snel ik ook draai. Ongrijpbaar en toch zo overduidelijk aanwezig. Het doet me denken aan het verhaal van de kikker: als je een kikker in een pan met kokend water gooit, springt hij eruit. Wanneer je hem in koud water zet en het langzaam verwarmt tot het kookt, heeft hij het niet door en blijft hij zitten. Tot de kikker, langzaam en onbewust, sterft. Misschien is dat wel een fijne manier om te gaan.

Stilte doet alleen pijn wanneer het ons herinnert aan de afwezigheid van iets.

“Volgens mij heb ik een burn-out. Ik ben zo moe, slaap iedere nacht meer dan negen uur, heb geen concentratie of inspiratie,” zeg ik. “Ik zou alleen niet weten waarvan. Ik doe nièts. Kun je een burn-out krijgen van niets doen?” De lifecoach, die ik heb ingeschakeld in de hoop dat dat goedkoper zou zijn dan een psycholoog, wat natuurlijk absoluut niet zo is, kijkt me aan vanaf mijn computerscherm. Dat klotescherm dat al maanden dagelijks getuige is van het langzame wegsijpelen van mijn levensenergie, net als bij de kikker. “Dit is geen burn-out. Dit klinkt als een bore-out. Je maakt jezelf ziek van eenzaamheid en gebrek aan prikkels.”

Ik, de koningin van de hoog sensitieve introverten, kom príkkels tekort. Ik moet er bijna een beetje om lachen, als het niet zo ongelooflijk triest zou zijn.

Ik lig in mijn gloeiend hete bad omringt door kaarsen, boeken en van die yoga-zen-achtige muziek, je weet wel, met panfluiten en klingeltjes. In het midden van deze zelfgebouwde tempel van ontspanning lig ik, en ik huil en huil en huil tot ik alleen nog maar kan hyperventileren en het geluid van de panfluiten wordt overstemd. Mijn eigen symfonie van wanhoop, en ik beeld me in dat het publiek naar me roept ‘encore, encore!’. Gelukkig voor hen ben ik nog lang niet klaar.

Maar verder gaat het goed, hoor. Lief dat je het vraagt.

 

No tags 0 Comments 0

No Comments Yet.

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *