De favorieten van Elianne van Elderen

by

Het Lief Dagboek bestaat 3 jaar en om dat te vieren blikken we terug op al het moois wat we gedaan hebben. Iedere schrijver heeft voor de gelegenheid 2 favoriete columns gekozen, een van de schrijver zelf en een van een andere schrijver. De favorieten van Elianne van Elderen: ‘Iemand zei me’ en ‘De nacht houdt zijn adem in’ door Mercedes Coco en ‘Er kleven glitters aan onze vingertoppen’ van Leora Kannekens.


Iemand zei me: “Ik wil wel een documentaire over je maken, maar ik kan niet van je houden.”

Vakantiewerk bij bootverhuur ‘Anja’

 Toen ik zeven was stopte ik drie wandelende takken in een jampot
en telde ik de dagen tot ze dood gingen. Sinds ik Thomas ontmoet heb,
turf ik de dagen op de lat onder mijn bed. In het rokershok
zegt hij dat hij aquatische ecotechnologie heeft gestudeerd
en ik droom vaak over waterrampen.

 Ik probeerde zijn oogkleur te vinden
op de verfafdeling in een bouwmarkt.
‘Zwijgen’ (Kleurcode: GN 005-07),
‘Parnassia’ (Kleurcode: GN 006-07),
en ‘Vloed’ (Kleurcode: GN 007-09)
komen het meest in de buurt.

Op www.wikihow.com lees ik een stap voor stap uitleg:
‘How to be a very cold and quiet person’. Ik heb geen 10.000 uur
nodig om ergens expert in te worden. Op Tinder zocht iemand
naar bijles Grieks,
en verwachtte verder niets van mij.

We worden alleen verliefd in de zomer,
wanneer de blauwe plekken zichtbaar zijn
op onze knieën, alsof we willen laten zien:
‘Kijk hoe vaak ik ben gevallen, breng me nu maar weer omhoog.’

 

Ik heb vrienden die een wikipediapagina verdienen

 Op het verjaardagsfeest van Willemijn praten we
over het paarse littekenweefsel op mijn knie.
Nina leest mij uit de National Geographic voor:
“Mijn buurman, varenspecialist Peter Hovenkamp,
vindt een mierennest in zijn schoen.”
Als ik dronken ben, kan ik harder bijten
op de binnenkanten van mijn wangen dan normaal.

Mijn oma vergeet soms dat het uit is en blijft maar vragen
wanneer hij langskomt. Ik gaf de koelkastmagneten die Thomas
uit Budapest voor me meenam aan de kringloopwinkel,
de sneeuwbol had ik al kapot laten vallen.

Wikipedia onderscheidt rustgevende en bedreigende stiltes.
We hebben elkaar al drie dagen niet gesproken, ik ben weer begonnen
met roken, ik heb gegoogeld hoe lang de winter duurt.
Toen mijn moeder vroeg waar ik was, zei ik niks.

In mijn koelkast staat nog een bakje smeerkaas
met zijn mesafdrukken er in. Ik kweek er inmiddels
schimmel op.

 

Jökulsárlón

Met een caleidoscoop aan mijn rechteroog
leer ik welke planten giftig zijn, hoe vaak
ik mijn handen zal moeten wassen na
een vliegenzwam te hebben aangeraakt,

hoe ik het beste dood kan gaan
(onderkoeling in een IJslands gletsjermeer).

De eerste keer dat ik mijn vaders scheerschuim stal om de haren
van de moedervlek op mijn kin weg te halen, ging het nog
niet mis. Ik val alleen op jongens die zichzelf kapot maken.
Er is een reden waarom we entreegeld betalen voor ruïnes.
Door het Facebookalgoritme krijg ik al drie dagen advertenties
van regenjassen uit Reykjavik. Ik heb drie evacuatieplannen gemaakt,
maar vergeet ze uit te voeren.

Ik ken weinig jongens die bang zijn om te laat te komen.

Op mijn drieëntwintigste ontvriendde ik hem op Facebook
en veranderde ik mijn profielfoto niet. Ik raakte mijn ANWB-reisgids van Scandinavië kwijt
en hij zegt: ‘Ik wil wel een documentaire over je maken,
maar ik kan niet van je houden.’

Met mijn vingers kan ik schaduwen op het tentzeil werpen
zonder te weten welke diersoorten ze representeren.
Door de kou worden de bloedvaten in je handen kleiner,

de diersoorten worden steeds onduidelijker, we sterven vanzelf uit.

Thomas zegt: ‘De eerste keer is wennen omdat je het niet kent,’
en ik zeg: ‘Ik ken weinig jongens die bang zijn om te laat te komen.’

Door Elianne van Elderen


De nacht houdt zijn adem in: “Omdat ik dacht dat het een tot ziens en geen afscheid was”

Beeld: Kirsten van Santen

Mijn laatste nacht was 7 maart, na 00.00 werd het 8. Dat was de laatste. Ik zei dat ik het niet te laat ging maken, want ik had een kater van de vrijdag. Ik ben mezelf nog steeds dankbaar dat ik mijn woorden een uur later had verworpen.

Ook mijn ouders stonden op de gastenlijst. “Nee, niet daarheen! We moeten niet in die rij.”
Er waren vrienden uit Brabant, Haarlem en Zaandam, in de lichten van het Leidseplein. Het was eigenlijk het perfecte afscheid.

Iedereen met blosjes op de wangen, van de gedronken drank, het fietsen en de warmte. De muur van geluid, muziek en mensen kwam op me af toen de portier de zwarte deur opende. Ik had niets in mijn tas, hij wenste me veel plezier. Niet wetende dat het de laatste keer was, bedankte ik hem en stapte in de nacht.

“Geef mij maar de pinpas, ik haal de drank.” Ik knokte me naar de bar. In mezelf scheldend dat het te druk was. Hup, aan de kant. Zwetende mensen plakkend tegen elkaar en drank die morste uit glazen, het besmeurde mijn shirt. Ik had nooit kunnen verzinnen dat ik dat zou missen.

De muziek zweepte het publiek op en het publiek elkaar. Ik keek tevreden naar de mensen om mij heen en koester het moment dat ik zag dat iedereen lachte. Het waren wel meer dan tien glimlachen, allemaal even prachtig. Ik koesterde het toen zonder dat ik het doorhad.

Als ik had geweten wat ik nu weet, had ik niet alleen naar je gekeken. Ik was naar je toegelopen en had je vastgepakt. Ik had je gekust en gezegd dat je dit laatste uur moest dansen als nooit tevoren. Je had me alleen niet begrepen, want volgende week was er toch weer een feestje?

Steeds denk ik terug aan die nacht. Heb ik wel genoeg mijn best gedaan? Gelachen en gedanst? Geproost en genoten? Ik denk het wel, want we gingen weg met het licht aan, omdat het tijd was voor de ochtend, de nacht achter ons lag. Ik weet nog goed dat ik niet wilde slapen, maar er vrede mee had. Omdat ik dacht dat het een tot ziens en geen afscheid was.

Het is bijna 6 maanden geleden. Dit keer klonk geen datum, maar een voorlopig niet. We gingen van een perspectief naar niets. Een mens kan maar een geringe tijd zijn adem inhouden voor hij verdrinkt. We willen niet verzuipen. We willen leven, we willen dat je ons ziet. De nacht houdt zijn adem in, maar oneindig is het niet.

Door Mercedes Coco


“Er kleven glitters aan onze vingertoppen, maar we zijn nog steeds niet gelukkig.

 Is jouw bubbel al gebarsten, viel je eruit, zo op de grond, deden de scherven van jouw verbeelding net zo veel zeer als die van mijn kloppende angst dat deden? 

 Ik hou mezelf voor dat als ik maar lang genoeg doe alsof ik iemand ben, dat ik vanzelf diegene word.”

Nee, dit zijn niet de eerste zinnen van een ontzettend plotselinge dichtbundel die ik schrijf. Dit zijn melodramatische dagboekpassages van vijftienjarige Leora, omringd met krabbels, collages en snoeppapiertjes. Eén hele boekenplank in mijn kast is gevuld met herinneringen, vastgekleefd aan brosse pagina’s, een collectie van verfstreken, schetsen en verscheurde foto’s. En hoewel ik dus al ruim zeven jaar mijn leven documenteer, heb ik er nooit bij stilgestaan hoe bijzonder dat eigenlijk is.

20/3/2016

“Ik weet nog dat ik tegen je zei, liefde is soms ook iemand laten gaan. En jij begreep mij niet. En ik begreep mezelf pas toen ik jou liet gaan.”

“Ik vind mezelf soms heel erg stom. Ik wil niet mij zijn.”

“Je komt er niet als je er al wilt zijn. Zie je nou wel. Niet zo twijfelen. Ver-schrik-kelijk. Maar echt.”

23/2/17

 Nou, dan stik je er toch lekker in!!!”

 “Heb een overschot aan gedachtes. Wil iemand ze misschien overkopen?”

15/5/2019

 “Vorige week viel ik in slaap op de bank
Om 19u ’s avonds
Met mijn rugzak nog om.

Soms ben ik te lui om me om te kleden
Lig ik op mijn bed met mijn broek op mijn knieën
Mijn jogging er zo naast.

 Ik droom over
Seks, mandarijnen,
De dood en de keuken van mijn oma
Niet per sé in die volgorde.”

“Ietsie te persoonlijk:
Tenen
Dit boek
Ikzelf
Onzekerheid
Porno
Neuspeuteren
Echt leed”

 Het lijkt misschien een vreemde collectie hersenspinsels van een opgroeiend meisje, maar ergens vind ik heel veel rust in mijn boekjes. Elk jaar was er een andere afgrond, een onoverkomelijk probleem, tien pagina’s vol doktershandschrift over misselijkheid, gebroken harten, stress en liefdesserenades aan mensen die ik niet écht kende. Tussen al deze flarden leven vind ik een rotsvaste waarheid. Iets kan je hele leven lijken, voelen als allesomvattende pijn, de grond die onder je voeten vandaan verdwijnt, onverteerbare angsten, een ongeduldige tunnel die je langzaam maar zeker opslokt— het is allemaal tijdelijk.

Ik lees het nu terug en ik weet dat ik het in 2013 gewoon overleefd heb. Dus dat zal ik in 2020 ook doen.

Door Leora Kannekens

No tags 0 Comments 0

No Comments Yet.

What do you think?

Your email address will not be published. Required fields are marked *